Negen molenaarsgeneraties Massier

Tekst: Ben Kloosterman
Uit: Molens mei 2005

  Ruim 300 jaar geleden vestigde zich in Amsterdam de koopmansfamilie Massier. Zij kwamen uit Frankrijk, vanwaar ze omstreeks 1670 als Hugenoten waren gevlucht vanwege de vervolging onder Koning Lodewijk XIV. Na 1700 verhuisde één van de nakomelingen, Peter Massier, paardenkoopman van beroep, naar het Overijsselse stadje Ommen en daar, of in Amsterdam, dat is niet helemaal duidelijk, werd in 1715 zoon Jan geboren. Ook hij werd paardenkoopman en kreeg in 1741 een zoon Peter en dat werd de eerste molenaarsgeneratie Massier. Nu, bijna 250 jaar later, is er nog steeds een molenaar Massier, de negende generatie. Er is alleen, sinds het midden van de jaren vijftig, geen maalvaardige molen meer. Maar dat gaat veranderen. De molen van Massier – in Nieuwleusen, gemeente Dalfsen – wordt weer maalvaardig gerestaureerd!

De in 1715 geboren Jan Massier, trouwde in 1740 in Ommen met Derkien Bos. Uit dit huwelijk werd op 5 december 1741 de in de aanhef genoemde zoon Peter geboren, vernoemd naar zijn in Amsterdam geboren opa. Hij was aanvankelijk ook paardenkoper van beroep, ook na zijn huwelijk met Wubbechien Jans uit Ommen, die kort na de geboorte van hun zoon Jan (op 27 mei 1765) overleed. Peter Massier hertrouwde op 23 augustus 1767 met Egberdina Cost uit het Ommer kerkdorp Vilsteren en uit dit huwelijk werden nog eens 7 kinderen geboren, waaronder (de latere molenaar) Hendrik. Vader Peter Massier was toen al een paar keer verhuisd. In 1773, na de geboorte van het derde kind, ging hij in Avereest (Dedemsvaart) wonen en vrijwel zeker is hij daar toen als molenaarsknecht gaan werken. Bij de geboorte van Hendrik in 1781 woonde hij in Dalen, mogelijk ook als molenaarsknecht. Vast staat in elk geval, dat hij omstreeks 1786 molenaar was in Koekange, gemeente Zuidwolde, nabij Meppel. Niet bekend is of hij toen molenaar, huurder of eigenaar was.

Naar Meppel
Onze stamboom gaat verder met de in 1765 geboren Jan Massier uit het eerste huwelijk. Hij trouwde op 2 mei 1792 te Meppel met Jentien Bakker en werd molenaar op de Kinkhorstermolen. Uit dit huwelijk werden 5 kinderen geboren, waarvan er twee, Lucas, geboren 13 januari 1799, en Peter, geboren 1 januari 1801, ook molenaar werden.
(Ook de half-broer van Jan, de hiervoor al genoemde Hendrik Massier, was later molenaar in Meppel. Hij trouwde op 10 januari 1808 te Meppel met Hendrikje Worst. Hij wordt dan vermeld als grutter en molenaar en ze woonden op de Eekmolen bij Meppel. Hij werd later opgevolgd door zijn zoon Hendrik die geen opvolger had.)

‘Verre van gemakkelijk’
De twee zoons van Jan Massier, Lucas en Peter, werden ook molenaar op de Kinkhorstermolen en zetten later het bedrijf voort en vormden dus de derde generatie. Blijkens een artikel van de bekende Meppeler molendeskundige A. Bicker Caarten in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 1968, hadden de gebroeders Lucas en Peter Massier, alsmede hun collega’s van de Veenemolen in Meppel, het in het jaar 1828 ‘verre van gemakkelijk’. Het maalgeld was te laag om van rond te komen en ze vroegen het stadsbestuur dit maalloon te mogen verhogen, met verwijzing naar de tarieven in o.a. Zwolle en Steenwijk. ‘Tevoren’, zo schreven zij, ‘werd er van hier eene aanmerkelijke hoeveelheid ponden brood naar Amsterdam verzonden, en waaruit voortvloeide dat beide molens wekelijks twee lasten rogge moesten malen.’ Ze merkten bovendien op, dat tevoren voor negen branderijen graan gemalen werd en nu nog voor slechts één, en het aantal bierbrouwerijen was van zeven naar drie verminderd, waardoor de verdiensten aanmerkelijk lager waren. Desondanks bleven ze nog jaren malen op de Kinkhorstermolen.

Naar Nieuwleusen
Een vierde molenaarsgeneratie Massier had zich inmiddels aangediend, namelijk Jan, een zoon van Lucas, geboren op 2 april 1821. Hij werd ook molenaar op de Kinkhorstermolen en trouwde op 26 februari 1845 met Femmigje Kluin uit Meppel. In 1848 hield hij de Kinkhorstermolen voor gezien en vertrok naar Nieuwleusen, waar hij aan het Molenpad, een zijweg van de Ommerdijk (thans Backxlaan), een beltmolen had laten bouwen. De Kinkhorstermolen werd overgenomen door Jan Karsten, die de molen op 24 september 1855 in vlammen zag opgaan.
Toen Jan Massier zich in 1848 als molenaar in Nieuwleusen vestigde, had hij inmiddels twee kinderen, waaronder zijn latere opvolger Gerrit, de eerstgeborene in Meppel op 21 juli 1845. In Nieuwleusen werd het gezin op 25 januari 1850 uitgebreid met een derde kind, Lucas. Ruim een jaar daarna kwam dit kind echter door een tragisch ongeval om het leven. Op 15 juni 1852 was het kind op de molenbelt geklommen waar het een klap van de wiek kreeg en aan de verwondingen overleed.
De eerstgeborene Gerrit trouwde op 30 mei 1867 met Margje Katoele uit Nieuwleusen en na het overlijden van zijn vader op 25 maart 1875, zette hij de zaak voort als vijfde generatie Massier. Ze kregen tien kinderen en daar waren weer drie molenaars bij, Jan, Gerrit en Wolter.

Publieke verkoop molen De Graaf
Jan, de oudste zoon van Gerrit Massier, ging, nadat hij op de ouderlijke molen het vak had geleerd, aanvankelijk als molenaarsknecht aan de slag op de molen van zijn voorouders in Koekange en zou uiteindelijk de zesde molenaarsgeneratie Massier gaan vormen. Hij trouwde op 30 april 1892 met Aaltje Bijker uit Nieuwleusen en in 1893 kwam hij onverwacht terug naar Nieuwleusen. Bij een publieke verkoop kwam hij namelijk in het bezit van de in 1861 door Willem Hendrik de Graaf gebouwde koren- en pelmolen, staande aan de Veldweg/hoek Westeinde, net onder de gemeente Dalfsen.
De (gerechtelijke) verkoop vond plaats op 29 maart 1893 in opdracht van Antonie van Senden, controleur in Nederlands Indië, als eerste hypothecaire schuldeiser. De hypotheek was afgesloten op 7 maart 1873. De molen werd op bij de eerste veiling op 15 maart ingezet op f 4000 door Berend Jan van den Berg, molenaar te Nieuwleusen. Bij de eindveiling ging het bieden tussen Jan Massier en molenmaker Hermannus Schiller uit Dalfsen. (Schiller stond in Dalfsen bekend als hypotheekverstrekker en opkoper van onroerend goed, met name landerijen. Zij joegen elkaar in maar liefst 27 biedingen van 25, 50 en 100 gulden, op tot het eindbedrag van f 5650 door Jan Massier, die daarmee eigenaar werd van de molen.

Een nieuwe molen!
Maar nu deed zich iets merkwaardigs voor. De bouwer van de molen, Willem Hendrik de Graaf, overleed op 14 oktober daaropvolgend en kort daarna vroeg de weduwe De Graaf-Bouwman een vergunning aan voor de bouw van een nieuwe molen op amper 300 meter ten westen van hun oude molen. Zij zal dat ongetwijfeld gedaan hebben voor haar zoon Hendrik die ook molenaar was en voor de molenaarsknecht Hendrik Stolte, een half-broer van haar man Willem Hendrik de Graaf. (Ter verduidelijking: Willem Hendrik de Graaf was een voorkind van Cornelia de Graaf uit Dalfsen. Ze trouwde in 1835, haar zoon was toen 5 jaar, met Barteld Stolte en uit dit huwelijk werd in 1843 zoon Hendrik geboren, dus een half-broer van Willem Hendrik de Graaf, die bij de geboorte de naam van zijn moeder had gekregen.)
Tegen de bouw van de molen werd protest aangetekend door Jan Massier omdat volgens hem de aanwezigheid van één molen voldoende was. Maar zonder succes, in 1894 werd de (belt)molen in gebruik genomen. Acht jaar hielden ze het vol. In november 1902 werd ook deze molen publiek verkocht, blijkens een bericht in ‘de Molenaar’ van 3 november 1902, dat luidde: ‘De windkorenmolen in het Dalfserveld aan de Nieuwleusenerstraatweg is maandag, ten overstaan van notaris A. van Scherpenzeel te Nieuleusen, publiek verkocht voor f 2205 aan Ties Ottens te IJhorst, gemeente Staphort.’ Otten heeft via een advertentie in de daaropvolgende ‘Molenaar’ nog geprobeerd de molen te verhuren, maar blijkbaar zonder succes, want in 1903 kocht Gerrit Massier, de broer van Jan, de molen. Hij liet de molen afbreken en herbouwen op de Lichtmis bij Rouveen, waar hij enige jaren molenaar is geweest. De plek waarop de molen in Nieuwleusen heeft gestaan heet nog steeds het ‘meulenbeltie’. Hendrik Stolte trad later in dienst bij de cöperatie Nieuwleusen en scherpte de stenen bij Massier. De derde en jongste van de drie broers, Wolter, was intussen molenaar op de ouderlijke molen aan het Molenpad. Hij werd daar terzijde gestaan door zijn moeder en zijn oma, want zijn vader, Gerrit Massier, was op 15 juli 1901 overleden. In 1917 hield Wolter het molenaarsvak en de molen voor gezien. In januari van dat jaar verkocht hij namelijk de molen aan de concurrent: de Coöperatieve Landbouwvereniging Nieuwleusen. Zelf ging hij…. rentenieren, met als hobby taxichauffeur. Medio 1930 besloot de CLV Nieuwleusen de molen af te breken om plaats te maken voor een groot pakhuis. De Vereniging De Hollandsche Molen heeft toen nog verwoede pogingen gedaan de molen te behouden, maar zonder succes.

Zevende generatie
Keren we terug naar Jan Massier op de molen aan de Veldweg. Daar waren inmiddels zes kinderen geboren, waaronder Wolter, op 9 augustus 1905, die ze zevende molenaarsgeneratie Massier zou gaan vormen. Maar dat had nog wel wat voeten in de aarde! Wolter kwam aanvankelijk op de molen van zijn vader en trouwde op 11 februari 1926 met Willempje Waanders uit Nieuwleusen. Op 30 oktober 1927 werd hun dochter Jenny Alida geboren en Wolter vond het toen zo langzamerhand tijd worden de zaak van zijn vader over te nemen. Maar die voelde daar nog niets voor. De onenigheid liep zo hoog op, dat Wolter in 1930 besloot de ouderlijke woning en molen te verlaten om molenaarsknecht te worden bij de Coöperatie in Rande, een buurtschap ten westen van de gemeente Diepenveen. In Diepenveen werd op 26 juli 1932 hun zoon Jan geboren, maar in 1933 werd de onenigheid tussen vader en zoon plotseling bijgelegd en keerde Wolter terug naar de molen van zijn vader in Dalfsen/Nieuwleusen en nam de zaak over.

 Molen ontwiekt
Wolter Massier kreeg na een aantal jaren hulp van zijn in Diepenveen geboren zoon Jan, de achtste molenaarsgeneratie Massier. Jan trouwde op 19 maart 1953 met Janna Brouwer uit Nieuwleusen. In het jaar daarop ging er echter veel veranderen ten koste van de molen. Die bleek toe te zijn aan een grote restauratie en er moesten silo’s komen. Molenmaker Bisschop uit Dalfsen maakte daarvoor een begroting, maar het kwam niet tot een restauratie. In tegendeel. Wolter Massier en zijn zoon Jan besloten in 1956 de molen voor een deel te onttakelen hetgeen in de daaropvolgende jaren gebeurde. De stelling werd gesloopt en de kap verwijderd, het achtkant kreeg een nieuwe rietbedekking en in de molen werden silo’s gebouwd. In mei 1962 volgde zelfs een aanvraag bij de gemeente Dalfsen voor een gedeeltelijke sloop van de molen. De gemeente trachtte nog de molen te behouden, maar tevergeefs: er volgde een verdere onttakeling, maar de molenromp bleef gelukkig overeind en waar een romp is, is hoop, zo zal ongetwijfeld ook hier blijken!
Onder Jan, die in 1974 na het overlijden van zijn vader, de zaak voortzette, daarbij tot 1993 administratief terzijde gestaan door zijn zuster Jenny, veranderde er nog meer. Het molenaarsbedrijf groeide uit in een modern veevoederbedrijf met tevens handel in kunstmeststoffen. Daarnaast was er toch nog altijd de liefde voor de molen, een molen die er steeds troostelozer uit ging zien. Medio negentiger jaren werd zelfs het plan opgevat de molen weer in maalvaardige staat te restaureren, een wens waar ook de nieuwe, negende, generatie in de persoon van Jan Adriaan (André) Massier, zich volledig kon vinden. André, de jongste van de vijf kinderen en geboren op 15 maart 1970, was inmiddels in het bedrijf werkzaam en was zelfs al een cursus voor vrijwillig molenaar gaan volgen op de Westermolen in Dalfsen. Hij heeft inmiddels het bedrijf van zijn vader overgenomen en uitgebreid met een winkel in kleindiervoeders en agrarische benodigdheden.
De restauratiepogingen liepen tien jaar geleden echter op niets uit omdat de financiering niet rond was te krijgen. Nu staan de zaken er aanmerkelijk gunstiger voor. Er ligt een restauratieplan klaar, maar het wachten is op de toekenning van de toegezegde rijksgelden. De restauratie is begroot op rond € 600.000 en molenmaker Dijkstra uit het friese Slooten zal dit omvangrijke karwei gaan uitvoeren. Er staat ook al een vrijwillig molenaar klaar: Marten de Jong, oud-wethouder van de gemeente Nieuwleusen. Hij volgt al geruime tijd een opleiding voor vrijwillig molenaar op de Westermolen in Dalfsen en het is de bedoeling dat hij straks de molen laat draaien en er mee gaat malen. Hij is tevens voorzitter van de Stichting Molen Massier, waarin ook André en zijn broer Wim, namens de familie Massier, zitting hebben.

BRONNEN:
-‘Het geslacht Massier – Mansier’ – Stamboomonderzoek Hendrik Jan Massier te Ruinen
- Mededelingen Jenny Massier
- Historisch Centrum Overijssel
- Eigen molenarchief (Molens)

Molenaar Mansier

Er is uit de nakomelingen uit het tweede huwelijk van de in 1715 geboren Jan Massier (met Geesje Speelman) nog een tweede molenaarsgeslacht voortgekomen. Dat was maar kortstondig en de naam was niet Massier maar Mansier, als gevolg van een verschrijving bij de burgerlijke stand van Ommen. Deze molenaar heette Jan Mansier en werd op 1 augustus 1821 geboren als zoon van Jan Velthuis Mansier (herbergier te Ommen) en Johanna van Loo. Hij werd molenaar en liet in 1845 molen De Lelie te Ommen bouwen. Op 28 mei 1849 trouwde hij met Johanna Geertruida Lindenhovius, dochter van geneesheer Jan Lindenhovius te Ommen. Op 6 december 1849 werd een zoon, Jan, geboren, die op 17 april 1851 overleed. Op 20 juni daaropvolgend werd hun tweede zoon geboren. Hij kwam echter levenloos ter wereld en het verdriet werd nog groter toen twee weken later, op 3 juli 1851, zijn vrouw overleed. Jan Massier hertrouwde op 3 november 1852 met Albertha Christina van Raalte. Dit huwelijk was ook kortstondig want Jan overleed op 2 augustus 1854. Na zijn overlijden is de molen in andere handen overgegaan. Molen De Lelie staat er nog steeds en wordt al een groot aantal jaren ambachtelijk bemalen door Anton Wolters.

Share |